Frank Vandenbroucke: De bedrijven kunnen betere scholen maken, en omgekeerd

Frank Vandenbroucke, minister van werk, onderwijs en vorming

“De bedrijfswereld en het onderwijs hebben elkaar hard nodig,” zo zegt minister van werk, onderwijs en vorming Frank Vandenbroucke. Hij gelooft in de kracht van een goed uitgekiend beleid om de kloof tussen de bedrijfswereld en het onderwijs te dichten.

Frank Vandenbroucke, minister van werk, onderwijs en vorming.Vlaanderen Manager: Scholen en bedrijven varen al jaren hun eigen koers?
Minister Frank Vandenbroucke: “De samenleving vraagt veel van het onderwijs, maar draagt daarin ook een zekere verantwoordelijkheid. Zij moet het onderwijs steunen. Er moet een breed maatschappelijk bondgenootschap worden aangegaan. De bedrijven kunnen van scholen immers ‘betere scholen’ maken, en omgekeerd, kan het onderwijs van bedrijven betere bedrijven maken. Het voornaamste knelpunt hierin is dat beide vertrekken vanuit verschillende culturen en realiteiten. Voor het beleid is het een uitdaging om hier een brug te helpen slaan. Dat is niet gemakkelijk, maar iedereen voelt aan dat er op dat vlak nu al allerlei begint te bewegen. Dat is erg hoopvol.”
Vlaanderen Manager: Hoe probeert u deze doelstelling te bereiken of erin te slagen bedrijfswereld en onderwijs beter met elkaar te laten matchen?
Minister Frank Vandenbroucke: “Een significante stap is dat werknemersorganisaties, vakbonden en onderwijsinstellingen in mei 2007 samen een competentieagenda tot stand hebben gebracht. Daarin schaart men zich gezamenlijk achter de gedachte dat de juiste competenties dienen te worden gevonden en dat deze verder moeten worden ontwikkeld. Desnoods een loopbaan lang. Dit moet ook op lokaal vlak kunnen worden waargemaakt. Stilaan begint dat te lukken. Zo situeren de regionale technologische centra (RTC) zich nu al op het kruispunt tussen scholen, VDAB, Syntra en het bedrijfsleven. Dit moeten moderne centra worden met het aanbod van de juiste geavanceerde technologie, waarvan de doelgroep – wanneer dit nodig is – gebruik kan maken via allerlei onderwijsinitiatieven en projecten. Ook sectoraal werden afspraken, met zeer precies becijferde doelstellingen, gemaakt via het sectorconvenant. En zie, ook hier ebt de pleinvrees  stilaan weg. Zo’n afspraken volstaan natuurlijk niet als de basisuitrusting niet volgt. De laatste drie jaar hebben we bijvoorbeeld 31 miljoen euro geïnvesteerd in de basisuitrusting voor de zogeheten nijverheidsscholen. We hebben scholen daarbij ook extra geprikkeld om na te denken over de verhouding  tussen hun leerplan en de uitrusting die ze beschikbaar hebben. En er wordt op een vruchtbare manier over de netten heen gedacht.”
Vlaanderen Manager: Er komt ook Hoger Beroepsonderwijs. Wat houdt dat in?
Minister Frank Vandenbroucke: “Op Europees vlak is een ‘kwalificatieraamwerk’ ontwikkeld, waarin meerdere kwaliteitsniveaus onderscheiden worden, een soort meetlat voor kwalificaties die mensen bereikt hebben. Als je dat raamwerk gebruikt, zie je dat er in ons onderwijsnet voor kwaliteitsniveau ‘vijf ’ – tussen secundair onderwijs en professionele bachelors – nog wat essentieels ontbrak. Zo riskeren mensen in hogescholen in te schrijven voor professionele bachelors, terwijl ze daar niet echt thuishoren. Anderzijds zijn er erg veel middengeschoolde mensen, die makkelijk hadden kunnen doorstromen naar jobs als ploeg- of werfleider, maar dit niet deden omdat ze er op school niet op werden voorbereid. En ook dat blijven dan knelpuntberoepen. Met het Hoger Beroepsonderwijs wil ik alle sporten op de ladder goed kunnen invullen. Democratisering van het onderwijs wil niet zeggen dat iedereen professionele bachelor moet worden of naar de universiteit moet gaan. Je moet wel aan beroepsgerichte competentieontwikkeling doen in functie van het versterken van de kansen op de arbeidsmarkt.”

Culturele erfenissen

Vlaanderen Manager: Wat zijn vandaag uw beleidsprioriteiten voor professionele bachelor- en masteropleidingen en de instellingen die deze opleidingen verstrekken?
Minister Frank Vandenbroucke: “Ik wil een tweede democratiseringsgolf op gang brengen. Er zijn nog veel onbenutte talenten die door omstandigheden en hardnekkige culturele erfenissen en mentaliteitsknopen, niet doorstromen, ondanks de geslaagde verbreding van de poort. Denken we maar aan de allochtone gemeenschap, toch ook een groot reservoir van talent voor onze kenniseconomie.”
Vlaanderen Manager: De onderwijswereld is de laatste jaren snel geëvolueerd, met nieuwe benamingen voor einddiploma’s en instellingen, nieuwe beleidsinitiatieven, enzovoort. Is het voor studenten, ouders en werkgevers die deze afgestudeerden moeten aanwerven, nog wel voldoende duidelijk?
Minister Frank Vandenbroucke: “Dat het nieuwe onderwijslandschap nu nog wat verwarrend overkomt, is enigszins normaal, want men dient zich aan te passen. Maar eigenlijk is de nieuwe structuur veel helderder dan de oude. In het verleden was er een redelijk grote proliferatiedrang van het onderwijs, waardoor men elkaar beconcurreerde met richtingen en opleidingen. Voor de cursist was de keuze vaak te groot. We hebben deze concurrentie een halt toegeroepen en zetten nu sterk in op rationalising. Voor zowel  de leerlingen als het onderwijs zelf is dat ook beter: zo kunnen ze zich concentreren op hun eigen sterkte.”
Vlaanderen Manager: Waarom was er nood aan een hervorming van de Centra voor Volwassenenonderwijs (CVO)? Wat zijn de krachtlijnen van deze hervorming?
Minister Frank Vandenbroucke: “Het volwassenenonderwijs is de laatste jaren kwantitatief zeer sterk gegroeid. Steeds meer mensen zijn geïnteresseerd in extra opleidingen en dat is een goede zaak. Dat getuigt ook van de laagdrempeligheid van de centra. Maar tegenover die interesse werd niet altijd het juiste aanbod geplaatst. Als je enerzijds wel drie keer Spaans kan volgen in dezelfde regio, maar niet de kans krijgt je diploma middelbaar onderwijs te halen, is er een probleem. Daarom hebben we de 147 bestaande gehergroepeerd in 13 samenwerkingsverbanden. Dat maakt dat je je aanbod beter kan spreiden, maar dat je ook kan investeren in aangepaste moderne uitrusting, want sommige sectoren ontwikkelen snel. Er wordt ook werk gemaakt van een betere begeleiding van kandidaatcursisten bij het maken van een opleidingskeuze. Hun aspiraties komen soms immers niet overeen met hun vooropleiding en de realiteit van de arbeidsmarkt.”

Ondernemingszin ontwikkelen

Vlaanderen Manager: Het ‘actieplan ondernemend onderwijs’ is een initiatief om het ondernemerschap dichter bij het onderwijs te brengen. Vanwaar dit idee?
Minister Frank Vandenbroucke: “Er is nog werk aan de winkel voor het ondernemerschap in Vlaanderen. In de Europese context staan we zeker niet vooraan als het op ondernemerschap aankomt. Daarom dit actieplan, dat al start van in de kleuterschool. Ondernemingszin, en de talenten die daarbij komen kijken, kan je immers al van jongs af aan detecteren en stimuleren. Dat is overigens ook in het algemeen goed. Om goed te ondernemen, moet je goed zijn in zelfsturing, initiatief nemen en creativiteit, maar dat zijn eigenschappen die ook voor niet-ondernemers een meerwaarde bieden. Het ondernemerschap in de meer enge betekenis van het woord laten we aan bod komen vanaf de tweede graad secundair. Daar worden die talenten omgezet in actie. Maar daar eindigt het niet. Zo is er in de competentieagenda ook aandacht voor de leerkrachten en voor allerlei initiatieven die buiten de schoolmuren georganiseerd worden. Om dit alles wat te stroomlijnen hebben we het online Kenniscentrum Competento in het leven geroepen. Lesgevers kunnen daar op een gestructureerde manier hun weg vinden in dit sterk divergerend vormingslandschap. En praktisch gezien, vinden ze er ook lesmateriaal, een kalender van specifieke initiatieven,…”
Vlaanderen Manager: Krijgen bedrijfsstages nu voldoende aandacht in het onderwijs?
Minister Frank Vandenbroucke: “Wanneer men de kwaliteit van het onderwijs wil verhogen, zijn bedrijfsstages een belangrijk deel van het leerproces, want bij een goede onderwijskundige begeleiding moet de werkvloer worden geïntegreerd. Dat loopt momenteel vlotter voor de leerlingen dan voor de leerkrachten. Ook de leerkrachten moeten de snelle evoluties in de bedrijfswereld immers kunnen volgen om die kennis weer door te geven. We hebben op dat vlak nu stevige engagementen van zowel de sociale partners als het onderwijs en dat stemt me tevreden. Er blijft nog wel een probleem zitten in de vervanging van de leerkrachten die op stage gaan. De wil is er wel, maar praktisch slagen we er nog onvoldoende in de leerkrachten massaal op stage te krijgen. Maar ik ben hoopvol gestemd.”

Anne-Marijn Somers